Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

Verwerpersprobleem

Als er sprake is van een verwerpersprobleem op een melkveebedrijf waarbij de oorzaak nog niet gevonden is, biedt dit protocol ondersteuning bij de aanpak ervan. Door dit protocol (samen met je dierenarts) te doorlopen is de kans groot dat zo min mogelijk aandachtspunten of risicofactoren voor verwerpen over het hoofd worden gezien. Dit helpt om op een structurele manier naar de mogelijke oorzaken voor verwerpen te zoeken.



Protocollaire aanpak van een verwerpersprobleem

Gebruik dit protocol om op een gestructureerde manier naar de mogelijke oorzaken van verwerpen te kijken. Het protocol leidt je stap voor stap door de belangrijkste punten die je samen met je dierenarts kunt beoordelen. Zo werk je systematisch en voorkom je dat aandachtspunten worden gemist.

  • Verwerper/abortus: naast de definitie gehanteerd in verband met de Brucella-abortus-bewaking (tussen de 100e en 260e dag) wordt door GD de termijn tussen de 45e en 265e dag van de dracht aangehouden.
  • Vroeg embryonale sterfte: de vrucht sterft af gedurende de eerste 45 dagen van de dracht; hierbij worden meestal geen vruchtje of vruchtvliezen gevonden. Dergelijke dieren presenteren zich meestal als onregelmatige terugkomers of opbrekers indien het afsterven na dag 17 plaats vindt.
  • Vroeggeboorte: geboorte van een levensvatbare vrucht tussen 210e en 265e dag van de dracht.
  • Doodgeboorte: geboorte van een dode, voldragen (minimaal 265 dagen dracht) vrucht.
  • Gemiddelde drachtlengte verschilt per:
    • Ras: Brown Swiss: 287 dagen, Jerseys 280 dagen en HF 279,5 dagen.
    • Seizoen: ‘s Zomers worden kalveren gemiddeld iets eerder (2 dagen) geboren dan in de winter.
    • Geslacht: Vaarskalveren worden gemiddeld 1 tot 2 dagen eerder geboren dan stierkalveren.
    • Eenling- of meerlingdracht: Tweelingen worden gemiddeld 5 dagen eerder geboren dan eenlingen.
  • Let wel: in het protocol wordt vaak in verband met de leesbaarheid gesproken over abortus of verwerper, maar daar kan in die gevallen ook (vroeg-) embryonale sterfte of vroeggeboorte worden gelezen.

Adviezen over hoe te handelen in het geval zich nog een verwerper voordoet:

  • Bespreek met de dierenarts welke maatregelen in verband met persoonlijke bescherming nodig zijn indien hulp bij een volgende afkalving/verwerper moet worden gegeven (denk aan: handschoenen dragen, ontsmettingsmiddel gebruiken, handen wassen). Ook de juiste manier van ontsmetting van hulpmiddelen die gebruikt worden bij het afkalven (touwtjes, kettinkjes, trekhoutjes, verlosapparaat) zijn hierbij belangrijk. Het is verstandig om zwangere vrouwen niet te laten helpen bij de verlossing van een verwerper en niet in contact te laten komen met mogelijk besmette materialen.
  • Zonder de verwerper zo snel en zo goed mogelijk af van de rest van de koppel. Het is niet altijd mogelijk of praktisch, maar het is verstandig te wachten met het dier weer in de koppel plaatsen (bij voorkeur tot een halve dag nadat de nageboorte afgekomen is).
  • Overleg met de dierenarts of de verworpen vrucht en nageboorte moeten worden ingestuurd voor nader onderzoek. Zo ja, dan is het advies de vrucht en nageboorte te verpakken in een stevige plastic vuilniszak, of bij warm weer onder een vochtige doek tot het moment van ophalen. Bewaar het in de tussentijd op een zo koel mogelijke plek. Diepvriezen is niet aan te raden; hierdoor zal het microscopisch onderzoek minder goed mogelijk zijn. Draag handschoenen bij het hanteren van de verworpen vrucht en nageboorte. Vermijd dat honden of katten bij het materiaal komen.
  • Als vrucht en nageboorte ingezonden worden naar GD moet de sectie aangemeld worden. Dit kan door de ophaaldienst van GD te bellen (088-202 5500) of door het online invullen van het aanmeldformulier. Doe dit indien mogelijk voor 22:00 uur. Zorg verder voor een zo compleet mogelijk ingevuld sectieformulier. Bij het aanmelden online kun je het sectieformulier meteen invullen. Stuur bij voorkeur niet alleen de vrucht maar ook de nageboorte mee, dit verhoogt de kans op een diagnose.
  • Indien de vrucht wordt ingezonden voor nader onderzoek, is een goede beschrijving van de waargenomen verschijnselen op het inzendformulier van groot belang voor de patholoog. Denk bijvoorbeeld aan drachtlengte, ziekteverschijnselen bij het moederdier, afwijkingen aan de nageboorte en of de nageboorte meteen afgekomen is. Deze informatie helpt de patholoog te besluiten wat voor aanvullend onderzoek zinvol is en vergroot hiermee de kans op het vinden van de oorzaak van het verwerpen.
  • Maak in alle gevallen een afspraak om een bloedmonster te nemen in verband met het verplichte bloedonderzoek op Brucella abortus (binnen 7 dagen na afkalven) en indien nodig een afspraak om het verwerpersprobleem te bespreken.
  • Overleg met de dierenarts of een behandeling van de koe moet worden ingezet.
  • Overleg met de dierenarts of de melk wel/niet geleverd mag worden.
  • Plekken in de stal waar mogelijk materiaal van de verworpen vrucht of vruchtwater terecht is gekomen, moeten zo goed mogelijk gereinigd en eventueel gedesinfecteerd worden. De gebruikte gereedschappen (bijvoorbeeld schop, riek en bezem) dienen na gebruik ook gedesinfecteerd te worden.
  • Het is zinvol om de ziekenstal of afkalfstal grondig te reinigen en desinfecteren.

 

Algemeen

  • Grootte en aard van het bedrijf (aantal stuks rundvee, melkvee, zoogkoeien).
  • Indeling van groepen binnen het bedrijf en contactmogelijkheden tussen de verschillende (leeftijds-)groepen.
  • Diercontacten (aankoop beleid, overige mogelijke externe diercontacten (samen weiden, bezoek aan keuringen, contacten over de draad)).
  • Aanwezigheid van andere (bedrijfsmatig gehouden) diersoorten op bedrijf (schapen, geiten, varkens, pluimvee) en aanwezigheid van honden en katten.
  • Wordt er mest (rundvee-, varkens-, of pluimveemest) aangevoerd van andere bedrijven?
  • Bevruchtingswijze (KI, DHZ KI, natuurlijke dekking, ET):
    • Indien natuurlijke dekking:
      • Is stier aangekocht?
      • Welke (groep) dieren worden natuurlijk gedekt?
      • Is de stier onderzocht op aanwezigheid van ziekten?
  • Vaccinaties:
    • Welke vaccinaties vinden plaats?
    • Hoe zien de vaccinatieschema’s er uit? Naam van het vaccin?
  • Is er ziekte/ productiedaling in de koppel geweest in de afgelopen tijd?
  • Zijn er overige klinische afwijkingen (koorts, diarree, hoesten, zenuwverschijnselen) bij verwerpers of overige dieren waargenomen?
  • Is er een verband tussen het verwerpen en warmte-/ of koude-stress?
  • Is er sprake van overbezetting (lig-/ en/of voerplaatsen)?

Voeding en drinkwater

  • Rantsoensamenstelling voor de betreffende diergroepen.
  • Zijn er (belangrijke) wijzigingen in het rantsoen doorgevoerd in de twee maanden voorafgaand aan het ontstaan van de problemen?
  • Worden de dieren geweid? Is er een mogelijke relatie tussen weidegang en het optreden van verwerpers? Staan er giftige planten in het weiland?
  • Is de wijze van voerverstrekking gewijzigd of de frequentie van voeren?
  • Wordt er met een voermengwagen gevoerd?
  • Zijn er opmerkelijke afwijkingen in de voedermiddelen (nitraatgehalte, eiwitgehalte, OEB, schimmels, verontreinigingen, zand/grond) of is het voer aan het voerhek warm?
  • Worden voederadditieven toegevoegd aan het rantsoen?
  • Hoeveel en welke mineralen worden verstrekt?
  • Soort drinkwater (leiding-, bron-/ slootwater)
  • Wordt drinkwater op gezette tijden onderzocht?
  • Wordt drinkwater gebruikt om de tank te koelen?
  • Wordt spoelwater gebruikt als drinkwater?
  • Zijn er laagliggende lagedrukleidingen en zo ja, hoe vaak worden deze doorgespoten/ gereinigd?

Overige vruchtbaarheidsgegevens en achtergrond verwerpers

Gegevens analyseren (met behulp van het eigen managementprogramma). Bij voorkeur uitsplitsen naar vaarzen en koeien.

  • Drachtigheidspercentage na eerste inseminatie
  • Percentage:
    • Dieren dat aan de nageboorte is blijven staan
    • Acute baarmoederontstekingen
    • Witvuilers
    • Gust na positieve drachtcontrole
    • Slap geboren kalveren
    • Afwijkende/misvormde kalveren
    • Aantal verwerpers (ook vroeg embryonale sterfte, vroeggeboorte en doodgeboorte) dat heeft plaatsgevonden in een bepaalde periode (laatste kwartaal, laatste half jaar, laatste jaar).
  • Wat was (ongeveer) het percentage verwerpers in de voorgaande jaren?
  • Verzamel per koe/vaars die verworpen heeft (incl. vroeg embryonale sterfte, vroeggeboorte en doodgeboorte) zoveel mogelijk gegevens wat betreft:
    • Datum van verwerpen/seizoen
    • Drachtlengte
    • Aantal malen gekalfd
    • Algemene gezondheid van de verwerpers (algemeen ziek, koorts, hoesten, neusuitvloeiing, diarree, productiedaling)
    • Indien mogelijk: het algemeen aspect van de verworpen vrucht (fris, rot, mummie, tweeling).
    • Indien mogelijk: beoordeling van nageboorte (verdikt, grijze plekken).
    • Is het dier aan de nageboorte blijven staan?
    • Is het dier in de laatste maand voorafgaand aan de abortus met medicijnen behandeld/gevaccineerd?
    • Op welke wijze is het dier drachtig geworden? (KI, natuurlijke dekking, ET)
    • Aantal inseminaties om het dier drachtig te krijgen?
    • Heeft het dier eerder verworpen?
    • Betreft het een aangekocht dier of een dier met mogelijk externe diercontacten (keuring, ontsnapt,…)?
    • Genetische verwantschap:
      • Tussen runderen die verworpen hebben (moeder/dochter, zelfde vader)
      • Tussen de verworpen vruchten (zelfde stier)

Voor het bezoek van de dierenarts kun je al wat voorwerk verrichten door de onderstaande informatie te verzamelen. Veel van de GD-gegevens zijn op te vragen via VeeOnline.

De gezondheidsstatus van het bedrijf aan de hand van deelname aan GD-programma’s

  • Heeft het bedrijf een gecertificeerd vrije status voor Leptospirose, IBR of BVD of een status tankmelkonverdacht voor BVD of IBR?
  • Neemt het bedrijf deel aan bewakingsprogramma’s voor Neospora en/of Salmonella? Zo ja, wat is de status daarvan?

Tankmelkuitslagen op afweerstoffen en/of ziekteverwekker

Verzamel alle periodieke en incidentele tankmelkuitslagen van het laatste jaar (onder andere IBR, BVD, Neospora, Salmonella, Leptospira).

Beschikbare uitslagen overige laboratoriumonderzoeken

Verzamel alle overige laboratoriumuitslagen.

Als afweerstoffen in bloed of melk worden aangetoond, betekent dat alleen dat het rund in aanraking is geweest met die specifieke ziekteverwekker en/of met een vaccin tegen de betreffende ziekte. Inzicht in de bedrijfsgeschiedenis en vaccinatiegeschiedenis van het bedrijf en/of een dier is daarom van belang om de uitslagen goed te kunnen interpreteren. De hoeveelheid afweerstoffen geeft geen betrouwbare informatie over hoe recent de doorgemaakte infectie is.

Zijn alle verwerpers onderzocht op Brucella abortus?

Dit verplichte onderzoek is voor jou als veehouder kosteloos. Van ieder dier dat verwerpt (na een drachtlengte van 100 tot 260 dagen), dien je binnen zeven dagen na het verwerpen een bloedmonster bij GD te laten onderzoeken op Brucella abortus.

Uitslagen van secties van ingestuurde verworpen vruchten en/of overige sectie-uitslagen van het bedrijf

Het vinden van een ziekteverwekker in de vrucht hoeft niet altijd te betekenen dat deze ziekteverwekker ook de oorzaak van de abortus is geweest, laat staan dat het de (enige) oorzaak van het verwerpersprobleem is.

Het niet vinden van een ziekteverwekker betekent niet altijd dat er geen infectie in het spel is (geweest). De ziektekiem kan onder andere vernietigd zijn door rotting van de vrucht of bijvoorbeeld zijn weggevangen door afweerstoffen. Ook kan het zijn dat een verwekker alleen gevonden kan worden in de nageboorte, maar dat deze niet is meegestuurd.

De uitslag dient kritisch beoordeeld te worden: in hoeverre was een volledig onderzoek mogelijk en heeft dit plaatsgevonden? Was de ingezonden vrucht representatief voor het probleem? Is de nageboorte ook onderzocht? Welke relevante onderzoeken zijn wel/niet uitgevoerd?

Uitslagen van drinkwateronderzoek

Onderzoek naar de geschiktheid als drinkwater, nitraat-/nitrietgehalte.

Analyses van aanwezige voedermiddelen

Onderzoek op onder andere nitraat-/nitrietgehalte, ruw eiwitgehalte, ruw asgehalte, NH3, OEB. Tijdens de rondgang over het bedrijf volgt de beoordeling van de kwaliteit van het product zoals het gevoerd wordt.

Mineralen onderzoek

  • Uitslagen van tankmelkonderzoek op mineralen.
  • Individueel bloed-/melk-/urineonderzoek op mineralen deficiënties/overmaat. In sommige gevallen is leveronderzoek zinvol (via leverbiopten of leveronderzoek vanuit slachthuis of sectie).

Bij de rondgang op het bedrijf kunnen veehouder en dierenarts samen de onderstaande punten nalopen. Met behulp van het aandachtspuntenformulier worden de aandachtspunten in beeld gebracht, door deze aan te vinken en eventuele opmerkingen te plaatsen in het opmerkingenveld.

Algemeen

  • Algemene indruk van het bedrijf (rommelig/netjes, nauwgezetheid/kwaliteit van veehouder en/of personeel)
  • Is er een goede koeherkenning? Kent de veehouder en/of het personeel de koeien? Is de administratie duidelijk en overzichtelijk? Kunnen per ongeluk drachtige koeien worden ingespoten met hormoonpreparaten of is er een reële kans dat per ongeluk drachtige dieren geïnsemineerd zijn/worden?
  • Is er bedrijfskleding aanwezig en wordt deze door alle bezoekers gebruikt? (dierenarts, voervoorlichter, inseminator, handelaar etc)
  • Komt de hond in de stal? Waar ligt er hondenpoep? Waar poept de hond normaal?
  • Wat gebeurt er met nageboorten in het algemeen en van een verwerper in het bijzonder?
  • Kunnen honden/ katten van nageboorten vreten of deze verslepen?
  • Zijn de koeien bang of angstig (stress)?

Huisvesting

  • Is er een afkalfstal?
  • Welk deel van de koeien kalft af in de afkalfstal?
  • Welk deel van de koeien kalft af in een schone afkalfstal?
  • Worden verwerpers of andere zieke dieren ook in de afkalfstal geplaatst?
  • Is er een aparte stal voor zieke dieren?
  • Wordt een verwerper in de ziekenstal/aparte stal geplaatst?
  • Hoe worden afkalfstal en ziekenstal gereinigd en ontsmet?
  • Is de ligplaats van de koeien droog en schoon?
  • Ligt er “witvuil” in de ligboxen? Zo ja, op hoeveel plaatsen?
  • Is er mogelijk sprake van stress door:
    • overbezetting in één of meer van de (dier)groepen?
    • aanmerkingen op het koecomfort? Staan er (te)veel koeien (half) in de ligboxen of in de gangpaden?

Diergezondheid

Aantallen/ percentages koeien met:

  • dikke/ontstoken hakken
  • nek-/schoftbuilen
  • ontstoken klauwen/verdikte kroonranden
  • witvuilers
  • udder cleft dermatis (of uierspleet dermatitis)
  • overige ontstekingen/abcessen waarbij mogelijk pus/etter in de ligbox terecht komt.

Rantsoen, voer en voergoot

  • Hoe is de gemiddelde lichaamsconditie van de dieren in de droogstand en gedurende de eerste drie maanden na afkalven? Zit hier veel variatie in?
  • Voerfrequentie per dag (melkkoeien, droge koeien, pinken) in de zomer en in de winter
  • Kwaliteit van het voer in de voergoot (schimmel, broei, zand, bevroren bestanddelen, mogelijke nitraatbronnen, ongebruikelijke/minder gebruikelijke voedermiddelen).
  • Worden voerresten dagelijks verwijderd en de voergoot uitgeveegd/ gereinigd? Wordt er dan veel grond/zand waargenomen?
  • Hoe is de opslag en het uitkuilproces van het kuilvoer en de overige voedermiddelen? Denk aan rotting, schimmel, broei, slechte conservering en bacteriegroei.
  • Is er op basis van schimmelvorming en klinische verschijnselen aanleiding om aan mycotoxines te denken? De rol van mycotoxines bij abortus is in Nederland nog niet aangetoond.
  • Worden rotte plekken of schimmelplekken bewust niet gevoerd? Ook niet aan drachtige pinken/ droge koeien?
  • Weidegras:
    • Kwaliteit (met name nitraat inschatting, bemesting).
    • Contaminatie: Is het waarschijnlijk dat honden in het weiland ontlasten? Is er sprake van giftige planten? Kan er snoeiafval in de weide komen? Welke bespuitingen hebben plaatsgevonden?
  • Is er aanleiding om te denken aan mogelijk subklinische pensverzuring (SARA) bij de koeien (dunne koeien, wisselende mestconsistentie, wisselende melkgift, melkvet daling) als ingang voor ziektekiemen? Hoe hoog is het structuuraandeel in het rantsoen, wat is de hoeveelheid krachtvoer/ krachtvoerachtige producten in het rantsoen?

Drinkbakken

  • Is de hygiëne van drinkbakken afdoende?
  • Is de kwaliteit van het drinkwater bekend?

Besmettelijke/infectieuze ziekteverwekkers als oorzaak van verwerpen

De route waarlangs infectieuze ziektekiemen de vrucht bereiken is:

  • via een opkruipende infectie vanuit de vagina door de baarmoedermond.
  • via de bloedbaan van het moederdier richting de placenta.

De infectiewijze via de bloedbaan van het moederdier kan tot stand komen doordat het moederdier de kiem binnenkrijgt vanuit bijvoorbeeld de luchtwegen of het maagdarmkanaal. Ook kan er een verspreiding plaatsvinden vanuit ontstekingen/abcessen of via insectenbeten.

  • Virussen
IBR (BHV1)  Het interval tussen infectie en abortus is meestal tussen de drie en acht weken. Abortus treedt voornamelijk op in de tweede helft van de dracht. Ook worden wel onregelmatige terugkomers gezien (=vroeg embryonale sterfte (VES). Het abortuspercentage kan oplopen tot 50 procent. 
BVD  In eerste drie maanden van de dracht kan onregelmatige terugkomen (vroeg embryonale sterfte), resorptie van de vrucht of mummificatie optreden. Op elk moment van de dracht kan abortus optreden. Het interval tussen infectie en abortus varieert van enkele dagen tot meerdere weken. In de eerste circa 120 dagen van de dracht kunnen BVD-dragers ontstaan. BVD-dragers kunnen levend met afwijkingen (aan ogen, haren, hersenen) geboren worden, maar ook zonder afwijkingen. 
BTV (blauwtong)  Drachtige dieren kunnen verwerpen als gevolg van blauwtong. Als het moederdier de infectie vroeg in de dracht doormaakt, kunnen kalveren geboren worden met aangeboren afwijkingen (hersenenafwijkingen, afwijkingen aan de poten of blindheid).
Bij kalveren waarvan de moeder na 200 dagen dracht besmet is geraakt met blauwtong, kan enkele dagen na de geboorte een blauwwitte waas op het oog voorkomen. Meldingsplichtig (categorie C, D en E van de Animal Health Regulation).
Schmallenberg Bij de Schmallenberg-uitbraak in 2011 werd ook een verhoogd percentage verwerpers gezien. Toch is Schmallenberg als oorzaak voor het bedrijfsprobleem verwerpen niet heel waarschijnlijk.   

Bacteriën

  • Bedenk dat bepaalde bacteriën die verwerpen bij runderen kunnen veroorzaken, ook de mens ziek kunnen maken. Deze bacteriën behoren tot de zogenaamde zoönosen.

Bacteriën waarbij verwerpen of vroeg embryonale sterfte (VES) zeer waarschijnlijk is, o.a.:

Brucella abortus  Verwerpen treedt meestal op tussen de vijf en zeven maanden dracht, maar dit kan tot laat in de dracht plaatsvinden. Meer dan de helft van de dieren kan aborteren als er een besmetting met Brucella aanwezig is. De dieren blijven vaak aan de nageboorte staan. Nederland is brucellose vrij sinds 1999. Er is een wettelijke basis voor de Brucella–bewaking en -bestrijding. Denk hierbij aan het verplichte bloedonderzoek op Brucella. 
Zoönose. Meldingsplichtig (categorie E ziekte Animal Health Regulation).
 
Salmonella

Vaak leidt Salmonella tot sporadische abortus, maar ook abortusstormen komen voor. Abortus treedt meestal op tijdens de tweede helft van de dracht. De dieren blijven vaak aan de nageboorte staan. Ook doodgeboren en minder levensvatbare kalveren komen voor. 

Zoönose. Meldingsplichtig (artikel 2.12 Wet Dieren, meldingsplicht dierziekten en zoönosen).           

Listeria  Listeria leidt meestal tot sporadische abortus, maar abortusstormen komen voor. Verwerpen treedt vooral op tijdens het laatste derde deel van de dracht. De dieren blijven meestal aan de nageboorte staan. Er s een duidelijke relatie met slecht geconserveerd kuilvoer met veel grond (hoog ruw-asgehalte).
Zoönose. Meldingsplichtig (artikel 2.12 Wet Dieren, meldingsplicht dierziekten en zoönosen).
Leptospira  Abortus treedt meestal op tussen één en drie maanden na andere klinische verschijnselen. Vaak tijdens de tweede helft van de dracht. Frisse, dode vruchten of zwakke levende kalveren kunnen beide voorkomen. Het abortuspercentage blijft meestal onder de 10 procent.
Zoönose. Meldingsplichtig (artikel 2.12 Wet Dieren, meldingsplicht dierziekten en zoönosen). 
Coxiella burnetti (Q-koorts of Q-fever)  Verwerpen treedt meestal in een later stadium van de dracht op. Coxiella geeft mogelijk ook doodgeboorte of slappe kalveren.
Zoönose. Meldingsplichtig (categorie E ziekte Animal Health Regulation).
Chlamydia  Verwerpen treedt meestal op tussen zes en negen maanden dracht. Ook geboorte van zwakke en te vroeg geboren vruchten komt voor. Meestal leidt Chlamydia tot sporadische abortus, maar soms wordt een abortuspercentage van 10 tot wel 40 procent gezien.
Zoönose. 
Campylobacter fetus subsp. veneralis  Dekinfectie bij gebruik van eigen stier. Verschijnselen kunnen zijn: herhaald opbreken op onregelmatige tijden ten gevolge van vroeg embryonale sterfte of abortus, vooral tussen de vierde en achtste maand van de dracht. Meestal beperkt het zich tot een sporadische abortus maar het kan oplopen tot een abortuspercentage van 10 tot 20 procent. ZoönoseMeldingsplichtig (categorie D + E ziekte Animal Health Regulation)

Opportunistische bacteriën. Dit betreft bacteriën die in principe geen typische abortusverwekkers zijn, maar als ze de kans krijgen (verhoogde infectiedruk) kunnen ze wel abortus veroorzaken. Deze veroorzaken meestal sporadische/ incidentele vormen van abortus. Indien er sprake is van meerdere abortussen binnen een bedrijf met een(zelfde) opportunistische kiem, dan zijn onderliggende factoren of verminderde weerstand door andere gezondheidsproblemen mogelijk primair.

Trueperella pyogenes  De belangrijkste kiem bij pussige ontstekingen of abcessen bij het rund. Deze kiem leidt zelden tot abortus als een bedrijfsprobleem, meestal betreft het een sporadische abortus. Abortus treedt met name op tussen de vijf en zes maanden van de dracht. Deze bacterie wordt geregeld aangetoond in verworpen vruchten. Er is een relatie met abcessen (uit- of inwendig) en klauwproblemen.
Bacillus licheniformis
Abortus treedt meestal op tijdens de tweede helft van de dracht. Er is een duidelijke relatie met slecht geconserveerd ruwvoer. Abortus treedt meestal op binnen drie à vier weken na opname van slechte kuil.
Escherichia coli
Veroorzaakt incidentele abortus in alle stadia van de dracht, maar meestal in het tweede en derde deel van de dracht.
Yersinia pseudotuberculosis Incidentele abortus mogelijk, meestal in het laatste trimester van de dracht. Zoönose. Meldingsplichtig (artikel 2.12 Wet Dieren, meldingsplicht dierziekten en zoönosen)
Campylobacter fetus subsp. fetus  Orale opname, kan incidenteel abortus verwekken. ZoönoseMeldingsplichtig (artikel 2.12 Wet Dieren, meldingsplicht dierziekten en zoönosen).
Campylobacter jejuni  Orale opname, meestal beperkt tot een sporadische abortus in alle stadia van de dracht, soms een abortus storm. Zoönose. Meldingsplichtig (artikel 2.12 Wet Dieren, meldingsplicht dierziekten en zoönosen).
Ureaplasma  De betekenis als abortusverwekker is niet duidelijk. Abortus kan optreden tijdens het laatste trimester van de dracht, maar ook doodgeboorte en zwakke kalveren komen voor. De dieren blijven vaak aan de nageboorte staan. 
Mycoplasma bovis  Mycoplasma kan een enkele keer abortus veroorzaken. Van Mycoplasma is verder bekend dat hij kan koloniseren op slijmvliezen (onder andere vagina) waar deze kan persisteren zonder klinische verschijnselen te geven.
Anaplasma phagocytophilum  Abortus in alle stadia van de dracht (meest laatste twee maanden), waarschijnlijk ten gevolge van de koortspiek. 
Bacillus cereus  Abortus zeven tot twaalf dagen na experimentele besmetting. 
Pasteurella, 
Mannheimia, 
Histophilus,
Staphylococcen,
Streptococcen,
Pseudomonas,
Klebsiella,
Serratia

Abortus in alle stadia van de dracht, vaak in tweede en derde deel van de dracht, meestal ten gevolge van de koortspiek of het algemeen ziek zijn.
  • Protozoa     
Neospora  Abortus (meestal tussen de vijfde en zevende maand van de dracht), mummificatie, onregelmatig opbreken (vroeg embryonale sterfte) of vroeggeboorte. Soms incidentele abortus, maar het kan ook (soms jarenlang) een bedrijfsprobleem zijn. Ook abortusstormen komen voor. Veel in de baarmoeder geïnfecteerde kalveren worden levend geboren en blijven levenslang besmet en hebben ook weer een verhoogde kans op abortus. Zelden vroeg embryonale sterfte door Neospora zonder door Neospora veroorzaakte abortussen op het bedrijf. De hond is de tussengastheer van deze parasiet. Mogelijk spelen verzwakkende momenten mee in het wel of niet verwerpen van het moederdier.
Toxoplasma
(Vroeg) embryonale sterfte. De betekenis als veroorzaker van verwerpen bij runderen nog niet goed duidelijk. 
Zoönose. Meldingsplichtig (artikel 2.12 Wet Dieren, meldingsplicht dierziekten en zoönosen)
Tritrichomonas foetus
Dekinfectie bij gebruik van eigen stier. Vooral vroeg embryonale sterfte en daardoor veel onregelmatige terugkomers. Abortus kan optreden vanaf twee maanden tot laat in de dracht.
  • Schimmels & gisten
Aspergillus fumigates en anderen  Kan voorkomen in (kuil)voer en ligbedstrooisel. Een verhoogde infectiedruk, met name in de stalperiode, of slecht geconserveerd voer verhoogt de kans op abortus. Aandoeningen in het maagdarmkanaal en/of de luchtwegen verhogen het risico op een verspreiding door het bloed.
Meestal abortus in het laatste derde deel van de dracht. De dieren blijven vaak aan nageboorte staan. Onderzoek van de nageboorte is noodzakelijk om tot een diagnose te komen.

Erfelijke en aangeboren afwijkingen

  • Genetisch: ca. 2% van de kalveren is genetisch afwijkend, hiervan wordt 50% doodge­boren. Genetische oorzaken of chromosomale defecten worden vrijwel nooit ontdekt bij onderzoek van de vrucht.
  • Aangeboren verkregen afwijkingen. In de periode tussen 2 en 6 weken dracht is het kalf het meest gevoe­lig voor specifieke stoffen uit planten, bestrijdingsmiddelen, medicijnen etc. die invloed kunnen hebben op de normale ontwikkeling van de vrucht. Aangeboren afwijkingen kunnen ook een infectieuze achtergrond hebben. Van het schmallenbergvirus is bijvoorbeeld bekend dat het ook kan leiden tot afwijkend geboren kalveren.

Voeding (voedermiddelen, overmaat en tekorten)

  • Slecht geconserveerd ruwvoer geeft meer kans op schimmelvorming. Door schimmels kunnen soms mycotoxines ontstaan die kunnen resulteren in een abortus. De rol van mycotoxines bij abortus is in Nederland echter nog niet aangetoond. Meer over in- en uitkuilmanagement
  • Bij slecht geconserveerd ruwvoer is ook de kans op groei van Bacillus of Listeria verhoogd, zeker bij een verhoogd ruw as gehalte. Plan van aanpak Bacillus of Listeria
  • Nitraat/nitriet vergiftiging (in gras, hooi, koolsoorten, kunstmest, drinkwater).
  • Grote overmaat aan met name onbestendig eiwit of niet-eiwit stikstof (ureum) (eiwitrijk gras, veel kunst­mest gestrooid).
  • Sterke tekorten aan seleen, koper, jodium of vitamine A.
  • Teveel koud (bijna bevroren) water of voer.
  • Sommige niet gebruikelijke voedermiddelen of voedermiddelen in bovenmatige hoeveelheden (onder andere koolsoorten en uien) kunnen bloedarmoede veroorzaken en in heel ernstige gevallen ook abortus.
  • Giftige planten in het rantsoen (zoals honingklaver met schimmel, tabak, jeneverbes, ricinus).
  • Ondervoeding.

Algemeen ziek zijn

  • Hoge koorts. Vrijwel iedere infectie die leidt tot hoge koorts kan leiden tot een abortus. Dit zal echter vrijwel altijd een incidentele abortus betreffen.
  • Ernstige ziekte/bloedvergiftiging (zoals bij een E. coli uierontsteking).

Ingrepen, operaties, injecties, stress

  • Na alle ingrepen aan een dier bestaat er een (zeer) kleine kans op abortus. Onder ingrepen kan worden verstaan operaties, injecties of vaccinaties.
  • Injecties met prostaglandines en corticosteroïden bij drachtige dieren resulteren in veel gevallen in verwerpen.
  • Stress-situaties door bijvoorbeeld koude, hitte, schrik of angst kunnen een reden voor verwerpen zijn.

Overig

  • Meerlingdracht resulteert in een hoger abortuspercentage.
  • Dieren die moeilijk drachtig zijn geworden (meer dan drie inseminaties) blijken vaker te verwerpen.
  • Inseminatie van een drachtig dier kan leiden tot abortus. De kans op abortus na natuurlijke dekking van een drachtig dier is (zeer) klein.
  • Vergiftigingen zoals: rattengif, moederkoren, houtconserveringsmiddelen, smeerolie, oplosmiddelen, bestrijdingsmiddelen, fluor, lood, cadmium, zink.

Bloedonderzoek

  • In geval van een verwerper is bloedonderzoek op Brucella abortus verplicht. Indien er verwerpers zijn waarvan nog geen bloedonderzoek op Brucella heeft plaatsgevonden, dan dient dit alsnog te gebeuren.
  • Dit bloedonderzoek kun je uitbreiden met onderzoek op antistoffen tegen IBR, Neospora, Salmonella, BVD, Leptospira en/of Q-koorts, ook wel Q-fever (Coxiella burnetti), Schmallenberg of Mycoplasma bovis.
    Bedenk wel dat als antistoffen in bloed of melk worden aangetoond, dit niets anders betekent dan dat het rund een infectie heeft doorgemaakt met de specifieke ziekteverwekker of gevaccineerd is tegen deze specifieke ziekteverwekker. Inzicht in de bedrijfsgeschiedenis en de vaccinatiegeschiedenis van het betreffende bedrijf/dier is daarom van groot belang. Als antistoffen zijn aangetoond tegen een ziekteverwekker, wil dit nog niet zeggen dat dit de oorzaak van het probleem is. Overleg met de dierenarts is op zijn plaats.
  • Gepaard bloedonderzoek op antistoffen. Hierbij wordt twee keer bloed getapt met een tussentijd van drie weken en wordt gekeken naar een stijging in antistoffen. In veel gevallen heeft dit bij verwerpen geen toegevoegde waarde omdat er op het moment van verwerpen al veel antistoffen zijn. 
  • Bloedonderzoek op mineralen, mogelijk aangevuld met leverbiopten.

Virusonderzoek

  • Virusonderzoek op BVD kan plaatsvinden in de verworpen vrucht of door middel van een blanco oorbiopt. Bij sectie op de verworpen vrucht wordt standaard onderzoek op BVD uitgevoerd.
  • Als naast verwerpen ook luchtwegproblemen een rol spelen, kan een neusswab van een klinisch verdacht dier op IBR mogelijk helpen met het stellen van de diagnose.

Onderzoek van de verworpen vrucht en nageboorte

Als het verwerpersprobleem aanhoudt, is sectie van vrucht en nageboorte zonder meer zinvol.

Zorg voor een volledig ingevuld sectieformulier met een nauwkeurige beschrijving van het probleem. Denk bijvoorbeeld aan drachtlengte, ziekteverschijnselen bij het moederdier, afwijkingen aan de nageboorte en of de nageboorte meteen afgekomen is. Meld hierbij ook hoeveel gevallen van verwerpen er de laatste tijd al zijn geweest op het bedrijf. Stuur bij voorkeur de nageboorte mee. In verworpen vruchten wordt standaard onderzoek gedaan naar BVD-virus

Onderzoek natuurlijk dekkende stier

Bloedonderzoek op IBR, BVD (antistoffen en virus), Leptospira en Brucella kan zinvol zijn. Als er aanwijzingen zijn voor een dekinfectie (hoog percentage onregelmatige terugkomers) dan is een onderzoek van een voorhuidmonster van de stier op Tritrichomonas en Campylobacter geïndiceerd. Indien er sprake is van ontstekingsverschijnselen in de schede van koeien, kan er een bacteriologisch onderzoek plaatsvinden van een vaginaal slijmmonster op laatstgenoemde aandoeningen.

Mestonderzoek

Indien op het bedrijf ook (koorts en) ernstige diarree voorkomt bij kalveren en/of koeien, is het raadzaam om mest van dieren met diarree te laten onderzoeken op Salmonella. Als Salmonella de oorzaak van het verwerpen is, is de kans dat deze kiem bij het pathologisch onderzoek van de vrucht aangetoond wordt ook zeer groot.

Voeronderzoek

Voeranalyses op met name nitraatgehaltes, (onbestendig) ruw eiwit, ruw as en/of conservering geven inzicht. Daarnaast kan de kuil worden onderzocht op specifieke mycotoxinen. De rol van mycotoxines bij abortus is echter onduidelijk. Aflatoxines zijn ooit beschreven als oorzaak van verwerpen in Amerika. In Nederland is dit nog nooit beschreven. GD voert geen onderzoek uit op mycotoxinen. 

Wateronderzoek

Maak je gebruik van bron- of oppervlaktewater en is het meer dan een jaar geleden dat dit water is onderzocht? Dan is het raadzaam te laten onderzoeken of dit water geschikt is als drinkwater voor rundvee. Denk daarbij onder andere aan het nitraatgehalte. In alle gevallen (ook indien gebruik gemaakt wordt van leidingwater) kan het uitvoeren van een drinkbakcheck zinvol zijn. 

Algemene bedrijfsvoering

  • Ziekte-insleep en -versleep binnen het bedrijf minimaliseren:
    • Geen vee aankopen oftewel: een gesloten bedrijfsvoering hanteren.
    • Wil je toch vee aankopen, wees er dan van bewust dat hier bepaalde diergezondheidsrisico's aan vast zitten. Koop bij voorkeur dieren aan van bedrijven met een hoge diergezondheidsstatus en doe bloedonderzoek voor je de aangekochte dieren aan je koppel toevoegt.
    • Geen contact met vee van andere bedrijven (keuringen, over-de-draad)
    • Geen aanvoer van mest van elders.
    • Contacten met andere diersoorten (schapen, geiten, pluimvee) vermijden.
    • Bezoekers alleen toelaten wanneer ze bedrijfskleding dragen.
    • Honden uit de stal weren, leren op een geschikte plaats te ontlasten en de ontlasting vervolgens niet op de mestvaalt gooien. Honden weg houden van nageboorten en dode (verworpen) vruchten.
    • Protocol voor het gebruik, de reiniging en desinfectie van de afkalfstal en ziekenstal opstellen.
    • Ongedierte bestrijden.
    • Drijfmest kan ziekteverwekkende kiemen bevatten. De overlevingsduur is afhankelijk van de kiem, de periode van verblijf in de kelder en de temperatuur en zuurgraad van de mest in de mestkelder. Indien de kiem mogelijk via de mest verspreid kan worden, dan drijfmest liefst in eerste instantie op bouwland aanwenden, in tweede instantie op grasland dat dan bij voorkeur eerst wordt gemaaid en geconserveerd voordat het gevoerd wordt.
  • Goede administratie voeren en een goede en gemakkelijke koeherkenning om vergissingen te voorkomen.

Diergeneeskundige aspecten

  • De specifieke aanpak van aandoeningen zoals: Neospora, IBR, BVD, Leptospirose en Salmonella. De dierenarts is op de hoogte van de specifieke aanpak. Uitgebreide informatie is te vinden op de site van GD.
  • Eventueel vaccinatieschema’s aanpassen en/of nieuwe vaccinaties starten.
  • Indien van toepassing deelname aan GD-bestrijdings- en/of GD-bewakings-programma’s voor specifieke ziekten.
  • Nageboorten (als mogelijke besmettingsbron voor mens en dier) op een praktische en hygiënische wijze onschadelijk maken. Vooralsnog lijkt het in de mestput laten zakken een goed beleid. Nageboorten van verwerpers kun je tezamen met de vrucht afvoeren naar de destructie of aanbieden voor onderzoek.
  • Maatregelen nemen om het ontstaan van witvuilers te beperken (denk aan hygiëne rondom afkalven en controle van pas afgekalfde koeien) en op de juiste wijze (laten) behandelen.
  • Gezondheidsproblemen in de koppel die mogelijk een negatief effect hebben op de algemene weerstand oplossen. Dit kunnen zaken zijn zowel het gebied van huisvesting, voeding als op het gebied van ziekten.
  • Natuurlijke dekking vervangen door KI als daar aanleiding voor is.
  • Minimaliseren van klauwaandoeningen door protocollair te werken aan preventie en therapie.

Stalinrichting en huisvesting

  • Indien noodzakelijk en mogelijk de huisvesting/stalindeling aanpassen (richt een ziekenstal en afkalfstal in en voorkom overbezetting).
  • Aanpassen van stalinrichting om uitwendige beschadigingen en ontstekingen te voorkomen.
  • Hygiëne in de stal en van de ligplaatsen optimaliseren. Geen schimmelig materiaal als boxbedekking gebruiken.
  • Deugdelijke plaats inrichten waar stro/strooisel uit afkalf- en ziekenstal gecomposteerd en onschadelijk gemaakt kan worden.
  • Stress-situaties vermijden of minimaliseren, denk aan hitte, koude, onrust en angst. Zorg dat (koppel-)behandelingen in voldoende rust plaatsvinden.

Voeding en drinkwater

  • Verdachte voedermiddelen uit het rantsoen verwijderen.
  • Winning, conservering en opslag van voedermiddelen verbeteren.
  • Deelname aan grond- en gewasonderzoek, om deficiënties en/of overdaad aan mineralen te voorkomen en inzicht te krijgen in gehaltes van onder andere nitraat.
  • Rantsoensamenstelling en wijze van voeren zo inrichten dat er minimale kans is op pensstoornissen/subklinische pensverzuring (SARA).
  • Restvoer dagelijks verwijderen en voergoot uitvegen (ook bij droge koeien).
  • Vitaminen/mineralenvoorziening afstellen op de behoefte, overmaat vermijden. De daadwerkelijke voorziening kun je door de dierenarts laten controleren door middel van bloedonderzoek of leverbiopten.
  • Geschikt drinkwater verstrekken, zorg voor gemakkelijk te reinigen drinkpunten, en reinig deze regelmatig.

 

 

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.